Bij MS is het mogelijk dat bestaande klachten plots verergeren of kunnen op korte termijn nieuwe neurologische uitvalsverschijnselen ontstaan. In dergelijke situaties spreekt men van een opflakkering of relapse.
Wanneer dit gebeurt, is het belangrijk om eerst na te gaan of het daadwerkelijk om een echte opflakkering gaat, veroorzaakt door een nieuw ontstekingsletsel in het centraal zenuwstelsel. Soms worden chronische klachten ten gevolge van multiple sclerose immers tijdelijk erger door andere factoren, zoals koorts, infectie, warmte, vermoeidheid of stress. In zulke gevallen spreekt men van een pseudo-opflakkering. De arts beoordeelt dit op basis van de aard van de klachten en het neurologisch onderzoek, en kan indien nodig aanvullend bloed- en urineonderzoek laten uitvoeren om meer duidelijkheid te krijgen. In de meeste gevallen is een MRI-scan niet nodig om de opflakkering te bevestigen.
Wanneer de klachten duidelijk hinderlijk zijn, kan een behandeling worden gestart. De standaardaanpak bestaat uit een korte, hooggedoseerde kuur met corticosteroïden, meestal methylprednisolon (Solu-Medrol), in een dosis van 1 gram per dag gedurende drie tot vijf dagen. Deze behandeling wordt vaak via een infuus op de dagkliniek toegediend, al kan een behandeling via orale toediening even doeltreffend en soms zelfs praktischer zijn.
Het is belangrijk om te weten dat corticosteroïden geen invloed hebben op de uiteindelijke mate van herstel en ook niet beschermen tegen toekomstige opflakkeringen. Ze kunnen wel het herstel versnellen en daardoor de duur van (storende) klachten verkorten.
Bij zeldzame, ernstige opflakkeringen die onvoldoende reageren op corticosteroïden kan plasmaferese worden overwogen. Hierbij wordt het bloed gefilterd (in dat geval via hospitalisatie op een dienst nefrologie of hematologie) om bepaalde stoffen met schadelijke effecten te verwijderen. Deze behandeling bestaat meestal uit vijf sessies, gespreid over ongeveer tien dagen.
Of en hoe een opflakkering wordt behandeld, hangt altijd af van de ernst van de klachten en de impact op het dagelijks leven, en gebeurt steeds in overleg met de behandelende neuroloog.
Een behandeling die erop gericht is het ziekteverloop van MS te beïnvloeden, wordt doorgaans een ziektemodificerende of immuunmodulerende therapie genoemd. Dit domein heeft de afgelopen tien à vijftien jaar een sterke evolutie doorgemaakt. Het therapeutisch arsenaal is vandaag de dag, anno 2026, aanzienlijk uitgebreider, gerichter, en krachtiger, vergeleken met vroeger. Deze geneesmiddelen richten zich voornamelijk op de ontstekingscomponent van MS en werken via modulatie en/of onderdrukking van het perifere immuunsysteem.
Ziektemodificerende therapieën worden vooral ingezet bij patiënten met een actieve relapsing-remitting vorm van MS. Het concrete doel is om het aantal opflakkeringen te verminderen, de vorming van nieuwe letsels (merkbaar op MRI) te beperken en zo de progressie van blijvende invaliditeit zoveel mogelijk af te remmen. MS kan hiermee echter niet worden genezen, en geen enkele behandeling biedt garantie op volledige werkzaamheid.
Er bestaat geen universeel behandelingsschema dat voor iedere patiënt geschikt is. De keuze van therapie gebeurt steeds in overleg tussen patiënt en neuroloog. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met wetenschappelijke evidentie, het individuele ziekteverloop, prognostische factoren, het algemene gezondheidsprofiel en persoonlijke voorkeuren. In de praktijk start men meestal met een eerstelijnsbehandeling zodra de diagnose vaststaat. Deze heeft doorgaans een matige werkzaamheid in combinatie met een relatief gunstig veiligheidsprofiel.
Wanneer er ondanks de behandeling toch nieuwe activiteit optreedt, spreekt men van doorbraakactiviteit. In dat geval kan worden overgeschakeld naar een krachtiger tweedelijnsmiddel. In bepaalde situaties — bijvoorbeeld bij meerdere ernstige opflakkeringen binnen één jaar, uitgesproken MRI-activiteit en ongunstige prognostische kenmerken — kan de neuroloog ook voorstellen om meteen met een tweedelijnstherapie te starten.
De klassieke eerstelijnsbehandelingen die in België worden terugbetaald, zijn: interferon beta (Betaferon, Rebif, Avonex en Plegridy), glatirameeracetaat (Copaxone), dimethylfumaraat (Tecfidera), teriflunomide (Aubagio), evenals recentere orale middelen zoals ozanimod (Zeposia) en ponesimod (Ponvory).
Tot de tweedelijnstherapieën behoren natalizumab (Tysabri), verschillende anti-CD20 therapieën (ocrelizumab, ofatumumab en ublituximab), fingolimod (Gilenya), cladribine (Mavenclad), en alemtuzumab (Lemtrada).
In uitzonderlijke gevallen, bij ernstig refractaire ziekte, kan worden overgegaan tot een autologe hematopoëtische stamceltransplantatie. De uiteindelijke behandelingskeuze blijft steeds individueel “maatwerk”.
In geselecteerde gevallen kan immuunmodulerende medicatie ook een rol spelen bij secundair progressieve MS, zoals bijvoorbeeld siponimod (Mayzent). Voor primair progressieve MS is ocrelizumab (Ocrevus) momenteel het enige officieel goedgekeurde ziektemodificerende middel.
Interferon beta is beschikbaar onder verschillende merknamen, waaronder Betaferon, Rebif, Avonex en Plegridy. Antivirale effecten van het menselijke eiwit, interferon, vormden vele jaren geleden de basis voor het onderzoek naar de mogelijkheden van behandeling bij MS. Deze medicatie beïnvloedt het afweersysteem op verschillende manieren en helpt de ontstekingsactiviteit bij MS te verminderen.
De toediening gebeurt via injecties, onderhuids of in de spier, afhankelijk van het preparaat. Plegridy is een gepegyleerde, langwerkende vorm van interferon-beta en wordt slechts eenmaal om de twee weken toegediend, wat het aantal injecties beperkt. Mogelijke bijwerkingen zijn lokale huidreacties bij onderhuidse injecties, griepachtige klachten (zoals koorts, spierpijn en vermoeidheid), hoofdpijn, en soms stemmingsveranderingen en/of depressieve klachten.
Daarnaast kunnen afwijkingen van de leverwaarden, stoornissen van de schildklier, en hematologische veranderingen (rode en witte bloedcellen) optreden. Daarom zijn regelmatige bloedcontroles nodig. Bij sommige patiënten maakt het lichaam neutraliserende antistoffen aan tegen interferon-beta, waardoor de werking van de medicatie kan verminderen.
Zwangerschap en interferon
Vrouwen met kinderwens kunnen Interferon-beta verderzetten tot aan het moment van de bevruchting. Interferon behandeling is verenigbaar met borstvoeding. Bij zwangerschapswens is voorzichtigheid geboden met de inname van ontstekingsremmende pijnstillers. Dit wordt best besproken met de behandelend arts.
Vaccinaties en interferon
Interferon-beta heeft geen invloed op vaccinaties. Alle gebruikelijke vaccins kunnen veilig worden toegediend.
Glatirameer acetaat is een immunomodulerend geneesmiddel waarvan de exacte werking niet volledig gekend is. De samenstelling lijkt op die van myeline, waardoor het afweersysteem als het ware wordt omgeleid en minder sterk reageert tegen het eigen zenuwstelsel. Copaxone wordt onderhuids geïnjecteerd, meestal drie keer per week.
De meest voorkomende bijwerkingen zijn lokale huidreacties op de injectieplaats, zoals roodheid, zwelling of pijn. Bij langdurig gebruik kan een plaatselijk verlies van onderhuids vetweefsel (lipo-atrofie) optreden. Soms ontstaat kort na de injectie een tijdelijke reactie op met druk op de borst, hartkloppingen of benauwdheid. Dit verschijnsel kan vervelend zijn, maar is meestal onschuldig en verdwijnt spontaan binnen enkele minuten. Bij behandeling met Copaxone zijn geen routinematige bloedcontroles nodig.
Zwangerschap
Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tot aan het moment van de bevruchting en is verenigbaar met borstvoeding.
Vaccinatie
Copaxone heeft geen invloed op vaccinaties. Alle gebruikelijke vaccins kunnen veilig worden toegediend.
Teriflunomide (Aubagio) werkt door het remmen van een enzym dat nodig is voor de aanmaak en vermenigvuldiging van lymfocyten. Hierdoor wordt de deling van deze afweercellen afgeremd en neemt hun rol in het ziekteproces af. De medicatie wordt oraal ingenomen, in pilvorm, éénmaal per dag.
De meest voorkomende bijwerkingen zijn diarree, afwijkende leverwaarden, en haarverdunning. Daarnaast kunnen ook verhoogde bloeddruk, huidreacties en schade aan de kleine zenuwvezels in handen en voeten (polyneuropathie) voorkomen. Regelmatige bloedcontroles zijn noodzakelijk, vooral in de eerste maanden van de behandeling.
Zwangerschap
Bij zwangerschapswens moet teriflunomide (Aubagio) tijdig worden stopgezet. Het is schadelijk voor het ongeboren kind. Omdat het geneesmiddel zeer langzaam uit het lichaam verdwijnt, is een versnelde eliminatieprocedure nodig, meestal met colestyramine (Questran). De behandeling is niet verenigbaar met borstvoeding.
Vaccinatie
Wat vaccinaties betreft, zijn er geen specifieke beperkingen, al worden levend verzwakte vaccins afgeraden tijdens de behandeling.
Dimethylfumaraat (Tecfidera) wordt in het lichaam omgezet tot monomethyl fumaraat. Dergelijke producten worden ook gebruikt bij psoriasis. De exacte werkingswijze bij MS is niet volledig gekend, maar het middel heeft een ontstekingsremmend en immunomodulerend effect. Tecfidera wordt oraal toegediend, in pilvorm, tweemaal per dag.
De meest voorkomende bijwerkingen zijn problemen met het spijsverteringsstelsel (zoals buikpijn, diarree of misselijkheid) en flushing, een tijdelijk warmtegevoel met roodheid van de huid. Daarnaast kunnen afwijkingen van de leverwaarden optreden en kan het aantal lymfocyten in het bloed dalen (lymfopenie). Bij aanhoudende of uitgesproken lymfopenie bestaat een verhoogd risico op ernstige infecties, waaronder progressieve multifocale leuko-encefalopathie, een aantasting van de witte stof in het brein. Daarom zijn regelmatige bloedcontroles noodzakelijk.
Recent zijn er in België ook andere middelen uit dezelfde familie (fumaraatesters) beschikbaar geworden voor de behandeling van relapsing MS (bijvoorbeeld Riulvy)”.
Zwangerschap
Dimethylfumaraat (Tecfidera) kan gebruikt worden tot aan het moment van de bevruchting. Het is niet nodig om dit op voorhand te stoppen bij zwangerschapswens). Het is niet verenigbaar met borstvoeding.
Vaccinaties
Vaccinaties zijn over het algemeen voldoende werkzaam onder deze behandeling. Levend verzwakte vaccins worden echter afgeraden.
Sfingosine-1-fosfaat receptor modulatoren werken door zich te binden aan de desbetreffende receptor op lymfocyten. Hierdoor worden deze witte bloedcellen vastgehouden in de lymfeklieren en kunnen ze niet langer in het bloed en het centraal zenuwstelsel circuleren. Tot deze groep behoren Gilenya, Zeposia, Ponvory, en Mayzent. De medicatie wordt oraal toegediend, in pilvorm, eenmaal per dag.
Deze receptoren komen ook voor in andere weefsels, waaronder het hart. Bij Gilenya kan de eerste toediening een significante invloed hebben op het hartritme (meestal een vertraging), waardoor opstart steeds gebeurt onder cardiale monitoring in het ziekenhuis. Zeposia, Ponvory en Mayzent behoren tot een nieuwere generatie en hebben beduidend minder effect op het hart. Hartritmemonitoring is bij deze middelen doorgaans niet nodig. Andere mogelijke bijwerkingen zijn problemen met het netvlies (macula oedeem), afwijkingen van de leverwaarden en arteriële hypertensie. Regelmatige bloedcontroles zijn aangewezen. Ongeveer drie maanden na de start wordt een controle bij de oogarts aanbevolen. Daarnaast is een jaarlijks dermatologisch nazicht aangewezen om huidtumoren tijdig op te sporen.
Zwangerschap
Deze medicatie moet steeds tijdig worden stopgezet bij een zwangerschapswens en is niet verenigbaar met borstvoeding. Dit dient zorgvuldig besproken te worden met de neuroloog, aangezien abrupt of ongecontroleerd stoppen kan leiden tot een massale vrijstelling van lymfocyten en een tijdelijke toename van ziekteactiviteit, soms ernstiger dan voor de opstart (rebound).
Vaccinatie
De respons op vaccinatie kan verminderd zijn. Levend verzwakte vaccins zijn niet toegestaan tijdens behandeling met sfingosine-1-fosfaat-receptor modulatoren.
Cladribine (Mavenclad) is een geneesmiddel dat in het lichaam wordt omgezet in een actieve vorm. Door verschillen in de manier waarop cellen het geneesmiddel omzetten en afbreken, worden vooral lymfocyten erdoor beïnvloed en sterven ze af. Dit leidt tot een gerichte en tijdelijke vermindering van hun aantal, wat de ontstekingsactiviteit bij MS afremt. Mavenclad wordt oraal ingenomen. De dosis wordt bepaald op basis van het lichaamsgewicht. De behandeling bestaat uit twee behandeljaren, telkens met twee korte behandelweken (één in maand 1 en één in maand 2), met een jaar interval tussen beide jaren. Het gaat om een inductiebehandeling, waarbij het effect langdurig aanhoudt zonder noodzaak tot continue inname van medicatie.
Mogelijke bijwerkingen zijn infecties en huiduitslag. Regelmatige bloedcontroles zijn noodzakelijk om de daling en herstel van het aantal lymfocyten op te volgen.
Zwangerschap
Wat zwangerschap betreft, moet er een interval van minstens zes maanden worden aangehouden tussen de behandeling en conceptie bij vrouwen, drie maanden bij mannen. Door interactie met de pil is de eerste maand na inname dubbele contraceptie (bvb. een condoom) nodig. Cladribine (Mavenclad) is niet verenigbaar met borstvoeding, tot één week na de laatste inname van het product.
Vaccinaties
Vaccinaties zijn in principe mogelijk, maar bij uitgesproken lymfopenie (daling van het aantal lymfocyten) kan de werking van vaccins verminderd zijn. Levend verzwakte vaccins worden afgeraden zolang het afweersysteem verzwakt is.
Natalizumab (Tysabri) is een monoklonaal antilichaam dat voorkomt dat lymfocyten vanuit het bloed het centraal zenuwstelsel binnendringen. Hierdoor wordt de ontstekingsactiviteit in de hersenen en het ruggenmerg sterk afgeremd. De medicatie wordt toegediend om de vier weken, via een infuus of via een onderhuidse injectie. De medicatie moet de eerste 6 maanden sowieso in het ziekenhuis worden gegeven maar nadien kunnen de injecties ook thuis plaatsvinden.
Een belangrijke, maar zeldzame bijwerking is progressieve multifocale leuko-encefalopathie. Dit is een ernstige, opportunistische herseninfectie met verloop over enkele weken tot maanden, die zich kan uiten onder vorm van gedragsveranderingen, epileptische aanvallen en cognitieve achteruitgang. De infectie wordt veroorzaakt door het JC-virus. Dit virus is latent (in een soort slaapstand) aanwezig bij ongeveer 70% van de algemene bevolking. Het risico op problemen (activatie van het virus) is het grootst bij langdurige behandeling, oudere patiënten, en/of eerder gebruik van medicatie die het immuunsysteem onderdrukt. Voor aanvang van de behandeling wordt de aanwezigheid van het JC-virus daarom ook steeds gecontroleerd, met strikte opvolging nadien. Bij sommige patiënten kunnen neutraliserende antistoffen tegen natalizumab ontstaan, waardoor de werking van het geneesmiddel vermindert en de kans op bijwerkingen toeneemt. Het stoppen van natalizumab moet steeds zorgvuldig gepland worden. Ongeveer 40% van de patiënten kan na stopzetting een terugkeer van ziekteactiviteit ervaren, die soms ernstig kan zijn (rebound). Patiënten onder Tysabri moeten jaarlijks een MRI-hersenen laten voorschrijven.
Zwangerschap
Bij zwangerschap zijn er verschillende scenario’s mogelijk, afhankelijk van de ziekteactiviteit en het individuele risico. Dit dient steeds uitgebreid besproken te worden met de neuroloog. In sommige gevallen wordt ervoor gekozen om natalizumab (Tysabri) door te geven tijdens de zwangerschap tot week 32-34. Onder behandeling is borstvoeding mogelijk vanaf de derde week na de bevalling.
Vaccinaties
Natalizumab heeft geen invloed op vaccinatie; alle gebruikelijke vaccins kunnen veilig worden toegediend.
Anti-CD20 therapieën zijn monoklonale antilichamen die zich richten tegen CD20, een eiwit dat vooral aanwezig is op onze B-lymfocyten (een subgroep van witte bloedcellen). Door deze cellen in aantal te verminderen (B-celdepletie), wordt het afweersysteem afgeremd en neemt de ontstekingsactiviteit bij MS af. Tot deze groep behoren ocrelizumab (Ocrevus), ofatumumab (Kesimpta) en ublituximab (Briumvi).
De manier van toedienen verschilt per middel. Ocrevus wordt om de zes maanden toegediend, in het ziekenhuis, via een infuus over meerdere uren of onderhuids over een tiental minuten. Briumvi wordt eveneens toegediend via een zesmaandelijks infuus in het dagziekenhuis, gegeven over ongeveer 1 uur. In al deze gevallen wordt eerst andere medicatie (o.a. paracetamol, corticosteroïden) gegeven om bijwerkingen te vermijden. Kesimpta heeft een volledig menselijke structuur, vraagt geen voorbereidende medicatie, en wordt maandelijks onderhuids geïnjecteerd, via een geautomatiseerde pen.
Mogelijke bijwerkingen zijn overgevoeligheidsreacties tijdens of na de toediening en een verhoogde kans op infecties. Daarnaast kunnen afwijkingen in het bloedbeeld, zoals neutropenie, en een daling van beschermende antistoffen in het bloed (hypogammaglobulinemie) optreden. Daarom zijn regelmatige bloedcontroles aangewezen.
Zwangerschap
Wat zwangerschap betreft, wordt officieel aangeraden om 2 maanden te wachten na de laatste toediening van Kesimpta, 4 maanden na de laatste toediening van Ocrevus of Briumvi voor het moment van de bevruchting. Tijdens het eerste trimester is er echter geen passage van deze medicatie naar de foetus. Daarom worden door experten vaak kortere intervallen gehanteerd. Vanaf de derde week na de bevalling is borstvoeding mogelijk in combinatie met een behandeling met een anti-CD20 therapie, in overleg met de behandelend arts.
Vaccinaties
De respons op vaccinaties kan verminderd zijn, vooral wat betreft de aanmaak van antistoffen. Levend verzwakte vaccins zijn niet toegestaan tijdens behandeling met anti-CD20-therapie.
Alemtuzumab (Lemtrada) is een monoklonaal antilichaam dat zich richt tegen CD52, een eiwit dat voorkomt op bepaalde witte bloedcellen. Hierdoor worden vooral circulerende lymfocyten afgebroken, wat, samen met hun terugkeer, leidt tot een langdurige verandering van het afweersysteem. Lemtrada wordt eveneens beschouwd als een inductiebehandeling, waarbij een beperkt aantal toedieningen een langdurig effect kunnen hebben.
De medicatie wordt gegeven via een infuus in twee behandelingscycli: de eerste cyclus bestaat uit vijf opeenvolgende dagen, de tweede uit drie opeenvolgende dagen, met ongeveer één jaar tussen beide cycli.
Tijdens of kort na de infusie kunnen infusiereacties optreden, zoals koorts, huiduitslag of hoofdpijn. In zeldzame gevallen zijn acute cerebrovasculaire complicaties (beroerte, dissectie) beschreven. Daarnaast bestaat er een verhoogd risico op infecties. Op langere termijn kunnen andere auto-immuunbijwerkingen ontstaan, waarbij het afweersysteem zich tegen eigen organen richt. De meest voorkomende is een schildklierstoornis, die bij ongeveer 40% van de patiënten kan optreden. Minder vaak komen bloedplaatjesafwijkingen, nierproblemen, of leverontstekingen voor. Om deze complicaties tijdig op te sporen zijn maandelijkse bloedcontroles noodzakelijk gedurende 48 maanden na de laatste toediening.
Zwangerschap
Na behandeling met alemtuzumab (Lemtrada) wordt aangeraden om minstens vier maanden te wachten voor een zwangerschap. Borstvoeding is mogelijk na het respecteren van dit interval.
Vaccinaties
Vaccinaties worden bij voorkeur uitgesteld tot minstens zes maanden na de behandeling. Levend verzwakte vaccins zijn niet toegestaan zolang het afweersysteem verzwakt is.
Autologe hematopoëtische stamceltransplantatie is een intensieve behandeling waarbij het eigen afweersysteem als het ware wordt “gereset”. Eerst worden eigen stamcellen uit het bloed verzameld en bewaard. Vervolgens wordt het bestaande afweersysteem grotendeels vernietigd met krachtige chemotherapie. Daarna worden de eerder afgenomen stamcellen terug toegediend, zodat het afweersysteem zich opnieuw kan opbouwen. Deze behandeling gebeurt eenmalig en vereist een ziekenhuisopname op de dienst hematologie, vaak gedurende meerdere weken. Hoewel deze behandeling zeer doeltreffend kan zijn in het onderdrukken van nieuwe opflakkeringen en nieuwe letsels op MRI, geneest ze MS niet. Er worden geen nieuwe zenuwcellen of nieuw myeline gevormd, en bestaande schade kan niet ongedaan worden gemaakt.
Stamceltransplantatie wordt enkel toegepast bij zorgvuldig geselecteerde patiënten (idealiter jong en goede algemene gezondheid), meestal bij zeer actieve MS die onvoldoende reageert op andere behandelingen. Tijdens en kort na de behandeling is er een verhoogd risico op infecties, omdat het afweersysteem tijdelijk sterk verzwakt is.
Andere mogelijke complicaties zijn bloedafwijkingen, haarverlies, misselijkheid en vermoeidheid, gerelateerd aan de intensieve voorbehandeling. In zeldzame gevallen kunnen ernstige of levensbedreigende complicaties optreden.
Zwangerschapsplanning wordt best vooraf met het behandelteam doorgesproken. De chemotherapie kan immers een impact hebben op de latere vruchtbaarheid.
Na stamceltransplantatie is langdurige medische opvolging noodzakelijk. Het herstel van het afweersysteem neemt tijd in beslag, waardoor vaccinaties opnieuw moeten worden opgebouwd volgens een aangepast schema. Levend verzwakte vaccins moeten worden vermeden zolang het immuunsysteem verzwakt is.
Bruton’s tyrosine kinase inhibitoren zijn medicijnen die het afweersysteem op een nieuwe manier beïnvloeden. Ze remmen een specifiek enzym dat belangrijk is voor het activeren van B-lymfocyten, alsook microgliale cellen. Van beide types afweercellen wordt vermoed dat ze, in de hersenen zelf, bijdragen aan de mechanismen achter progressieve MS. Bovendien zijn dit kleine moleculen die ook veel beter in het centraal zenuwstelsel zelf kunnen doordringen. Tolebrutinib en fenebrutinib zijn middelen met bewezen werkzaamheid op progressieve MS, zonder begeleidende opflakkeringen of nieuwe MRI-letsels.
CAR-T-cel therapie is een geavanceerde behandeling waarbij eigen afweercellen van een patiënt in het laboratorium zo worden aangepast dat ze schadelijke immuuncellen gericht kunnen uitschakelen. Ook dit zou een strategie kunnen zijn om schadelijke B-cellen die actief zijn in de hersenen zelf (waar ze onbereikbaar zijn voor klassieke anti-CD20 medicatie), uit te schakelen. Hoewel CAR-T-cel therapie bij MS nog in vroege onderzoeksfase zit, zijn de eerste resultaten hoopgevend, vooral bij vormen van MS die moeilijk te behandelen zijn.
Bij MS raakt de myeline, de beschermlaag rond de zenuwen, beschadigd. Remyelinisatie is het proces waarbij deze laag weer hersteld wordt, waardoor zenuwen beter kunnen functioneren en overleven. Huidig onderzoek bekijkt medicijnen zoals metformine (bekend van diabetes) en clemastine (een antihistaminicum) die mogelijk remyelinisatie kunnen stimuleren.
Auteur: Prof. Dr. Miguel D’Haeseleer, neuroloog, Nationaal MS Centrum Melsbroek, UZ Brussel, Vrije Universiteit Brussel