MS wordt meestal vastgesteld tussen de 20 en 45 jaar, maar kan op elke leeftijd voorkomen. Wanneer de diagnose voor 18 jaar wordt weerhouden, spreekt men van pediatrische MS. Dit vertegenwoordigt ongeveer 5 à 10% van de gevallen, met een typische beginleeftijd van 15 jaar.
Een diagnose onder de 11 jaar is uitzonderlijk en vereist uitsluiting van andere oorzaken zoals ADEM, MOGAD of bepaalde neurometabole aandoeningen.
De risicofactoren zijn vergelijkbaar met die bij volwassenen: erfelijke aanleg, vitamine D-tekort, overgewicht, blootstelling aan tabaksrook, en een doorgemaakte infectie met het Epstein-Barr virus. Een veel voorkomend virus dat vooral via speeksel wordt overgedragen en klierkoorts kan veroorzaken.
Bij kinderen verloopt MS bijna altijd volgens het relapsing-remitting type, met afwisselende periodes van opflakkering en herstel. Progressieve vormen zijn uiterst zeldzaam. Het ziektebeeld verschilt sterk van kind tot kind: net als bij volwassenen kunnen we een zeer variabele ziekte zien.
Opvallend is dat de ziekte bij kinderen vaak heftiger start, met meer opflakkeringen en ontstekingsactiviteit. Regelmatig presenteert MS zich met meerdere neurologische uitvalsverschijnselen tegelijk. Microscopisch is er meer acute demyelinisatie en zenuwschade zichtbaar.
Het herstel na een aanval verloopt over het algemeen wel beter dan bij volwassenen met MS dankzij de grotere plasticiteit (herstel en aanpassingsvermogen) van het jonge zenuwstelsel. Toch bereiken jongeren vaak op jongere leeftijd belangrijke invaliditeitsmijlpalen, zoals een EDSS score ≥ 6.0 of een secundair progressief verloop. Een snelle en doeltreffende behandeling is daarom essentieel.
Cognitieve en emotionele gevolgen vragen alertheid: aandachts- en geheugenproblemen, vermoeidheid, angst, en somberheid kunnen immers het sociale en schoolse functioneren beïnvloeden.
De diagnostische aanpak is grotendeels gelijk aan die bij volwassenen (klinisch onderzoek onder leiding van een neuroloog: bloedonderzoek, MRI, lumbale punctie, VEP). De McDonald-criteria zijn toepasbaar, al is voorzichtigheid geboden wanneer de eerste presentatie lijkt op een ADEM. Ook de oudere Verhey-criteria kunnen richtinggevend zijn. Deze helpen de arts om te controleren waar de letsels zich bevinden, wanneer ze zijn ontstaan en of ze door een andere ziekte kunnen worden verklaard.
Opflakkeringen worden meestal behandeld met intraveneuze corticosteroïden, gedurende een vijftal dagen, eventueel gevolgd door een orale nabehandeling. Bij onvoldoende effect kunnen plasmaferese of immuunglobulines worden ingezet. Plasmaferese scheidt het plasma van het bloed om bepaalde stoffen of antistoffen te verwijderen en geeft de bloedcellen terug aan de patiënt terwijl immunoglobulinen kunnen helpen om de activiteit van het immuunsysteem bij MS te verminderen.
Voor onderhoudsbehandelingen zijn er minder middelen goedgekeurd dan bij volwassenen. In België zijn interferon, glatirameer acetaat, teriflunomide, en dimethylfumaraat beschikbaar. Bij onvoldoende respons, of zeer hoge ziekteactiviteit, kan worden overgestapt naar fingolimod.
Uit de PARADIGMS-studie (eerste fase III-studie bij minderjarige patiënten, 2018) konden we besluiten dat fingolimod effectiever is dan interferon bij het voorkomen van opflakkeringen en nieuwe MRI-letsels.
De OPERETTA 2-studie liet recent dan weer zien dat ocrelizumab een betere ziektecontrole bood dan fingolimod (ECTRIMS congres, 2025).
Pediatric Acquired Demyelinating Disorders. Continuum (Minneap Minn). 2022 Aug 1;28(4):1104-1130. doi: 10.1212/CON.0000000000001128.
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35938659/
Old and New Strategies in the Treatment of Pediatric Multiple Sclerosis: A Personal View for a New Treatment Approach. Neurol Ther. 2024 Aug;13(4):949-963. doi: 10.1007/s40120-024-00633-6.
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/38822947/
Auteur: Prof. Dr. Miguel D’Haeseleer, neuroloog, Nationaal MS Centrum Melsbroek, UZ Brussel, Vrije Universiteit Brussel