Multiple sclerose, een complexe, immuun-gemedieerde aandoening van het centraal zenuwstelsel (CZS), is een belangrijke oorzaak van neurologische invaliditeit bij jonge volwassenen. Het voorkomen van MS neemt wereldwijd toe, met een aanhoudende stijging tijdens de voorbije 30 jaar. Anno 2025 zijn er volgens de MS Atlas naar schatting meer dan 3,1 miljoen personen met MS wereldwijd.
Hoe verder van de evenaar verwijderd, hoe meer MS voorkomt. Het hoogste aantal personen met MS wordt in Noord-Amerika en West-Europa aangetroffen. Daar worden ook de meeste nieuwe diagnosen gesteld, is er meest verlies aan gezonde levensjaren en zijn de sterftecijfers ten gevolge van MS het hoogst. In de meer noordelijk gelegen landen en regio’s in het noordelijk halfrond (Zweden, Canada, Noorwegen, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) is het aantal personen met MS per inwonerseenheid het grootst.
Er zijn geen recente cijfers bekend voor België. Vermoedelijk liggen deze in lijn met die van de ons omliggende landen zoals Nederland en Frankrijk. Op basis van recente Nederlandse data komt MS beduidend meer voor dan enkele decennia geleden (in 2019 werd dit geschat op gemiddeld 210 personen met MS op 100.000 inwoners, hoger in noordelijke dan in zuidelijke regio’s). Het aantal nieuwe diagnosen bleek niet toegenomen. Deze data ondersteunen eerdere bevindingen dat personen met MS nu langer leven dan voorheen.
Verschillen in genetische aanleg, blootstelling aan zonlicht en vitamine D, het voorkomen van infecties, luchtkwaliteit en andere omgevingsfactoren worden in verband gebracht met deze bijzondere geografische spreiding.
Bij MS spelen meerdere factoren op complexe wijze op elkaar in. Het gaat zowel over genetische risicofactoren als over omgevingsfactoren. Er zijn steeds meer gegevens die pleiten voor een betrokkenheid van het Epstein-Barr virus (EBV) bij MS.
Blootstelling aan het Epstein Barr virus (EBV) blijkt een noodzakelijke voorwaarde om MS te kunnen ontwikkelen. Dit virus is wijdverspreid in de gebieden waar MS voorkomt. Een infectie met het EBV in de kindertijd geeft doorgaans weinig symptomen. Op latere leeftijd, als adolescent of volwassene, kan het virus klierkoorts veroorzaken. Hoe deze infectie vervolgens tot MS kan leiden, is momenteel niet duidelijk. Sommige eiwitten in de myeline, het omhulsel van de zenuwbanen, vertonen een zekere gelijkenis met het EBV. Zo zou het immuunsysteem het lichaamseigen myeline kunnen aanvallen in de overtuiging dat het virus zich daar bevindt. Het is ook mogelijk dat het EBV bepaalde veranderingen in het immuunsysteem met zich meebrengt waardoor het overdreven actief wordt. Verder onderzoek zal ons hierover meer leren.
Het is belangrijk erop te wijzen dat de meeste mensen die een EBV-infectie opgelopen hebben, geen MS zullen ontwikkelen. Het doormaken van deze infectie op zich is dus niet voldoende om tot de diagnose van MS te leiden. Er spelen nog veel andere factoren mee, zoals de genetische risicofactoren en omgevingsfactoren zoals onder meer lage vitamine D spiegels en zonblootstelling, roken, en obesitas op jongere leeftijd.
MS is geen erfelijke ziekte, die door één fout in het DNA, het erfelijk materiaal, veroorzaakt wordt. Wel dragen genetische variaties bij aan de vatbaarheid voor MS. Het gaat over een samenspel van meer dan 230 genetische varianten die vaker voorkomen bij personen met MS dan bij personen zonder MS. Onderzoekers hebben risicoscores ontwikkeld waarmee het totale effect van deze varianten berekend wordt. Deze scores worden gebruikt in kader van onderzoek. Zij laten echter niet toe om op betrouwbare wijze het MS-risico in te schatten op het niveau van het individu.
De overgrote meerderheid van deze genetische varianten is gerelateerd aan de regeling van het immuunsysteem in het bloed en de hersenen, wat aangeeft hoe belangrijk het immuunsysteem bij MS is. De uitgesproken variaties in het humaan leukocytenantigeen (HLA) dragen in sterke mate bij aan het genetisch risico op MS. Zij bepalen mee hoe kleine eiwitfragmenten (antigenen) gepresenteerd worden aan immuuncellen, waarna een immuunrespons op gang gebracht wordt of juist onderdrukt wordt. Bepaalde genetische varianten, zoals het HLA-DRB1*15:01, zijn geassocieerd met een duidelijk verhoogd risico op MS. Het dragen van dit gen is echter noch een noodzakelijke, noch een voldoende voorwaarde voor MS. Veel dragers ontwikkelen de ziekte niet, en veel personen met MS dragen het niet.
De genetische varianten die het risico op MS mee bepalen, blijken geen duidelijke rol te spelen bij de ernst of progressie van MS.
Ongeveer 1 op 10 personen met MS heeft een familielid met MS, bijvoorbeeld een zus (eerstegraads familielid), nicht, oom of tante (tweedegraads familieleden). Personen die een eerstegraads familielid met MS hebben, zoals een broer, zus, of ouder, hebben een hogere kans om MS te ontwikkelen. Een studie in België in jaren ’90 wees op een 10 tot 12 maal hoger risico voor eerstegraadsverwanten van personen met MS. Aangezien MS niet zo frequent voorkomt, blijft de kans dat familieleden van personen met MS, ook MS krijgen relatief laag. Onderzoek bij eeneiige tweelingen (genetisch identiek) toonde aan dat als één van de twee MS heeft, de kans dat de andere ook MS ontwikkelt ongeveer 25% is. Dit geeft aan hoe sterk de genetische component van de ziekte is en onderstreept tegelijk de bijdrage van omgevingsfactoren. Tot nog toe konden specifieke genetische varianten niet gelinkt worden aan het familiaal voorkomen van MS. Het type en verloop van MS blijken ook niet familiaal gebonden.
Het onderzoek bij eeneiige tweelingen waarbij één van beide MS ontwikkelde trof verschillen aan in de ontwikkeling van het immuunsysteem. Ook bleek de mate waarin zij als kind aan de zon blootgesteld waren te verschillen, pleitend voor een beschermend effect van zonblootstelling als kind.
Daar waar de genetische aanleg de vatbaarheid voor MS bepaalt, en een EBV infectie noodzakelijk lijkt, ontwikkelt de ziekte zich pas in combinatie met diverse omgevingsfactoren. Een verminderde vitamine D spiegel in het bloed wordt reeds langer in verband gebracht met een verhoogd risico op MS. Een lage blootstelling aan zonlicht in de kindertijd wordt eveneens gelinkt aan een hoger risico op MS. Verder is passief of actief roken een duidelijke risicofactor, evenals overgewicht of obesitas bij kinderen of adolescenten. Sommige factoren interageren met elkaar. Zo is het effect van een verminderde vitamine D spiegel in het bloed op het MS risico versterkt aanwezig bij dragers van het HLA-DRB1*15:01 allel. Ook roken houdt een hoger risico in voor personen die dragers zijn van het HLA-DRB1*15:01 allel. Dit illustreert de complexe interactie tussen genetica en externe invloeden.
MS blijkt het gevolg van complexe interacties tussen een genetische vatbaarheid enerzijds en diverse omgevingsfactoren anderzijds. Sommige omgevingsfactoren lijken ook bij te dragen aan de ernst of progressie van MS, wat mogelijkheden biedt tot proactief handelen met positieve effecten.
Het menselijk lichaam draagt een grote hoeveelheid micro-organismen met zich mee, van bij de geboorte tot aan het levenseinde. Naar schatting dragen we evenveel microbiële cellen als menselijke cellen. Het gaat over bacteriën, schimmels, virussen en andere eencellige levensvormen die op complexe wijze samenleven op plaatsen zoals het maagdarmstelsel, de huid en longen. Er zijn erg veel verschillende families en soorten micro-organismen, die elkaar op één of andere manier in evenwicht houden. We spreken over het microbiële genoom of het microbioom wanneer we verwijzen naar het geheel aan genetische informatie van deze microbiële organismen. Het aantal genen van deze micro-organismen is honderdmaal of meer het aantal genen van menselijke origine, het menselijk genoom. De meeste micro-organismen zijn gehuisvest in het maagdarmkanaal. Zij helpen bij het verteringsproces van voedsel, trainen het immuunsysteem en beschermen tegen indringers. Ze spelen een belangrijke rol in de complexe communicatie tussen het darmstelsel en het centraal zenuwstelsel. Op basis van dierexperimenteel onderzoek werden gevolgen vastgesteld op de ontwikkeling van de hersenen, de activiteit van zenuwcellen, de functie van steuncellen en ontstekingsprocessen in de hersenen. Verder onderzoek bij MS zal uitwijzen welke rol het microbioom heeft en waar de mogelijke aangrijpingspunten liggen.
Bij MS kunnen twee pathologische processen onderscheiden worden: het ontstekingsproces (klinisch overeenkomend met aanvallen of opflakkeringen) en het neurodegeneratief proces (klinisch overeenkomend met progressie). Het is belangrijk aan te geven dat het aandeel van beide processen erg verschilt van persoon tot persoon. Er is ook een verschuiving in functie van de leeftijd en ziekteduur. Van een dominant ontstekingsproces op jonge leeftijd evolueert MS vaak naar een meer neurodegeneratief proces op oudere leeftijd.
Dit proces verwijst naar het ontstaan van ontstekingszones in de hersenen en het ruggenmerg. Immuuncellen vanuit ons verworven immuunsysteem zijn overactief geworden. Zij geraken via de bloedbaan en een verstoorde bloed-hersenbarrière binnen in het centraal zenuwstelsel. Zij lijken er de myeline, het omhulsel van de zenuwbanen, niet te herkennen en vallen deze aan. Zo geven zij aanleiding tot plaatselijke ontstekingshaarden ter hoogte van de myeline, met verlies van myeline tot gevolg, vaak ook schade aan de zenuwvezel zelf. Wanneer de geleiding van zenuwprikkels hierdoor in het gedrang komt, treden er neurologische symptomen op. Deze ontstekingshaarden kunnen zich klinisch dan uiten als MS aanvallen of opflakkeringen (‘relapses’).
Na de actieve ontstekingsfase, volgt een herstelfase, vandaar de term “relapsing remitting” MS. De ontsteking dooft uit. Er worden herstelfactoren aangetrokken. Zo kan het adequaat opruimen van de afgebroken myeline bijdragen aan een gunstige omgeving waarin nieuwe myeline kan aangemaakt worden, zij het in wisselende mate en in een dunnere versie. Het geheel aan ontstekingszones en littekens wordt zichtbaar als een soort handtekening van de MS op de magnetische resonantie (MR) beelden van hersenen of ruggenmerg. Dit proces is het meest uitgesproken op jonge leeftijd en bij het begin van de ziekte. Het neemt af met toenemende leeftijd en ziekteduur.
In de hersenen en het ruggenmerg zelf zijn er ook immuuncellen aanwezig. Zij maken deel uit van het aangeboren immuunsysteem. Wanneer deze immuuncellen in een stress toestand geactiveerd worden, kunnen zij andere cellen activeren, chronische ontsteking bevorderen en een ongunstige omgeving creëren voor herstel. Het neurodegeneratief proces bij MS verwijst naar het optreden van een meer diffuse (verspreide) ontsteking in hersenen en ruggenmerg met onvoldoende mogelijkheden tot ondersteuning van de werking van de zenuwvezels waardoor deze schade oplopen en verloren gaan. Het is een complex samenspel van verschillende deelprocessen binnen in het centraal zenuwstelsel en is het duidelijkst aanwezig bij progressieve vormen van MS. Verder onderzoek naar dit neurodegeneratief proces blijft erg belangrijk. Anno 2025 zijn er aanwijzingen dat een nieuwe klasse van geneesmiddelen mogelijkheden biedt om hierop in te werken. Het gaat over de Bruton’s tyrosine kinase inhibitoren, kleine moleculen die tot in het centraal zenuwstelsel kunnen doordringen.
Wanneer MS juist begint, weten we niet. De ziekte is waarschijnlijk al jaren actief voordat de diagnose kan gesteld worden op basis van de typische neurologische aanvallen of geleidelijke achteruitgang. Vaak is er een aanloopfase, ook prodromale fase genoemd. De prodromale fase verwijst naar de periode voorafgaand aan de diagnose van MS waarin patiënten vaak verschillende symptomen ervaren die niet specifiek zijn voor de ziekte. Deze symptomen zijn meestal vaag en kunnen gemakkelijk worden toegeschreven aan andere aandoeningen, waardoor het zowel voor artsen als voor patiënten moeilijk is om een verband te leggen met MS. De duur van deze fase verschilt per persoon. Bij sommige patiënten kunnen deze symptomen enkele maanden aanhouden, terwijl deze bij anderen jaren kunnen doorgaan zonder dat MS wordt gediagnosticeerd. Typische prodromale klachten (die ook bij andere aandoeningen voorkomen) zijn vermoeidheid (vaak de meest voorkomende klacht), slaapproblemen, pijn, cognitieve en psychiatrische stoornissen (zoals depressie of angst).
De prodromale fase van multiple sclerose is een cruciale periode waarin patiënten symptomen kunnen ervaren die wijzen op de ontwikkeling van de ziekte. Het herkennen van deze symptomen kan leiden tot een vroegere diagnose en behandeling, wat essentieel is voor het verbeteren van de prognose en de kwaliteit van leven van de patiënt.
Auteur: Prof Dr Marie B D’hooghe - Nationaal MS Centrum, Melsbroek - Center for Neurosciences, Vrije Universiteit Brussel